Hoe zit een wietplant in elkaar? Alle delen van wortel tot top
KWEKEN

Hoe zit een wietplant in elkaar? Alle delen van wortel tot top

Cola, stampers, schutbladen, trichomen, nodes en bladstelen: wat elk deel van een wietplant doet, en hoe mannetjes en vrouwtjes verschillen.

DOOR Redactie CosechaLibre5 MIN LEZEN

Een wietplant bestaat van onder naar boven uit wortels, een stengel met nodes, bladeren met bladstelen en, bij een vrouwtje, toppen opgebouwd uit schutbladen, stampers en trichomen. Kijk je goed naar een plant en zijn toppen, dan zie je hoe ingewikkeld hij in elkaar zit. Elk deel van de plant heeft een eigen taak en een reden om er te zijn. 

Als het over de anatomie van wiet gaat, krijgt de bloem meestal de meeste aandacht, simpelweg omdat je die gebruikt. Maar elk deel van de plant speelt een cruciale rol om die bloemen tot leven te brengen.

Schema met de delen van een wietplant

Wat zijn de belangrijkste delen van een wietplant?

Cola:

De hoofdcola, of de hoofdtop, is het deel van een wietplant dat helemaal bovenaan de plant groeit. Kleinere cola’s vind je op de plekken waar de lagere takken uitlopen.

Stempel en stamper:

In de stamper zitten de voortplantingsorganen van een wietbloem. De stempels zijn de opvallende haartjes die je op de stamper ziet. Ze zijn er om stuifmeel van een mannelijke wietbloem op te vangen. Terwijl de plant rijpt, verkleuren ze: eerst wit, daarna steeds donkerder, via geel en oranje naar bruin en rood. Ze spelen een grote rol in de voortplanting, maar hebben weinig invloed op de smaak en de kracht van de bloem.

Schutblad en kelk:

Het schutblad van wiet omhult de voortplantingsorganen van een vrouwelijke plant. Schutbladen zien eruit als groene, druppelvormige blaadjes en zitten vol harsklieren, die meer cannabinoïden maken dan enig ander deel van de plant. Botanisch gezien is de kelk een doorschijnend laagje dat de zaadknop aan de voet van de wietbloem bedekt en is die meestal niet te zien: hij zit verstopt in de schutbladen. In de kweekwereld noemen we die schutbladen zelf meestal gewoon kelken (zie verderop).

Trichomen:

Onder de onderdelen van de bloem mogen de trichomen niet ontbreken: piepkleine klierhaartjes die samen het glinsterende harslaagje op de toppen van een wietplant vormen. Die hars wordt afgescheiden door doorschijnende, paddenstoelvormige kliertjes op de stengels, bladeren en kelken, en als hij droog is, noemen we hem kief. Trichomen beschermen de plant ook tegen weer en wind en tegen beestjes. Ze scheiden terpenen af, de aromatische oliën, en cannabinoïden zoals CBD en THC.

De delen van een wietbloem

Zaad:

Het zaad is een van de belangrijkste delen van de plant, want hier begint alles. Een gezond, rijp wietzaadje is mooi rond, met één platte en één puntige kant, en heeft een harde, stevige buitenschil zodat het niet makkelijk geplet wordt. In het zaadje zit het embryo van de plant, met alles wat de plant nodig heeft om aan een nieuw leven te beginnen zodra je het plant en verzorgt.

Wortels:

De wortels zijn de basis van een wietplant. Het wortelstelsel heeft drie hoofdtaken: de plant verankeren in het substraat, water en voeding aanvoeren voor de groei, en de zetmeel en suikers opslaan die de plant met fotosynthese maakt. De penwortel is het eerste wat uit een ontkiemd wietzaadje komt; hij groeit naar beneden de grond in, op zoek naar voeding en vocht om de plant te laten groeien. Zodra de penwortel zich heeft uitgestrekt, vertakken de haarwortels zich tot een ondergronds netwerk.

Stengel en nodes:

De stengel houdt de wietplant overeind en draagt zijn gewicht. Er zitten ook de vaatbundels in die voeding en vocht van de wortels naar de bladeren brengen. De stengel is verdeeld in nodes (knopen). Jonge plantjes maken eerst tegenoverstaande paren bladeren en nodes, maar beginnen ze verspreid te groeien, om en om, dan is dat een teken dat de plant volwassen is en klaar om te bloeien.

Bladeren en bladstelen:

Een wietblad heeft de vorm van een open hand en bestaat uit drie tot 13 deelblaadjes met duidelijke nerven. Een plant heeft kleine bladeren en grote waaierbladeren. De deelblaadjes zitten aan de tak of stengel vast met een steeltje dat bladsteel heet. Kleur en lengte van de bladstelen verschillen per soort.

De bloemen: wat is het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje?

Er zijn mannelijke en vrouwelijke wietplanten, en planten die van allebei iets hebben. Wiet is tweehuizig: mannetjes en vrouwtjes hebben hun eigen geslachtsorganen, op aparte planten.

Het mannetje bevrucht de vrouwtjes, en dan begint de zaadproductie. De harsige bloemen van het vrouwtje worden de toppen, en die bloemen zijn wat je gebruikt. Gemengde of hermafrodiete planten hebben mannelijke en vrouwelijke organen, en kunnen zichzelf tijdens de bloei bestuiven. Kwekers zien ze meestal als een probleem, omdat zelfbestuiving de zaadloze planten met hun superkrachtige bloemen verpest.

Mannelijke wietplanten maken meeldraden met helmknoppen, en die maken het stuifmeel dat de vrouwtjes (de planten met stampers) bestuift, die vervolgens het zaad maken. Het stuifmeel zit in kleine, ovale balletjes die in trosjes op de nodes groeien. Als ze rijp zijn, gaan ze open en komen er vijf meeldraden tevoorschijn die het stuifmeel maken. Eenmaal rijp gaan mannetjes meestal snel dood. Ze maken heel weinig cannabinoïden en terpenen.

Een vrouwtje bestaat daarentegen uit trossen schutbladen, die kwekers vaak kelken noemen. Daarin zitten het vruchtbeginsel en de stamper of stempel, die het stuifmeel opvangt. Raakt er stuifmeel op de stempel, dan gaat het naar het vruchtbeginsel; daar vindt de bevruchting plaats en groeit het zaad, dat het schutblad bij rijpheid helemaal vult. De stampers verwelken zodra ze hun werk hebben gedaan (en ook als dat niet is gebeurd). Het zaad is zo’n 4 tot 6 weken na de bevruchting gevormd.

 

Lees ook: